Buitenland

Jaap van Duijn senior moest van de Arbeidseinsatz het begin van de oorlog als tuinman voor de rubberfabriek I. G. Farben werken bij Auschwitz. De joodse onderduikers van zijn vader hadden bange vermoedens  over wat er in dat kamp gebeurde. Jaap zorgde ervoor dat hij dichtbij Auschwitz te werk werd gesteld. Hierdoor kon hij met eigen ogen zien wat daar gebeurde en de onderduikers inlichten over wat er hen boven het hoofd hing.

De gruwelen die de joodse gevangenen werd aangedaan zag Jaap vanaf zijn werkplek, lang voordat men in Nederland hiervan op de hoogte was. In een brief aan Lou de Jong, lang na de oorlog beschrijft Jaap de gele dikke rook die uit de schoorstenen kwam en vertelde hij over het beendermeel uit de crematoria, gebruikt als kunstmest voor de plantjes.

Tijdens zijn verlof grijpt Jaap senior zijn kans om op de trein te stappen naar Nederland om de nare feiten over te brengen aan het thuisfront. Hij bezoekt ook de Joodsche Raad in december 1942 om te vertellen over de gruwelen en de crematoria van Auschwitz.

Wat er dan gebeurt - of beter wat er niet gebeurt - zal tuinman Jaap zijn leven achtervolgen. De Joodsche Raad gelooft hem niet. En de deportaties gaan gewoon door. Elke dag nog worden joden uit hun huis  gehaald door Nederlandse politieagenten.

Zijn zoon, die ook Jaap heet zal pas later gaan waarderen dat zijn vader een poging gewaagd heeft om wat hij in het oosten zag over te brengen aan Nederland.

Jaap junior wil nu graag dat zijn vader geeerd wordt met een onderscheiding voor zijn poging ons destijds te willen vertellen over wat er Auschwitz gebeurde. Hij beseft pas sinds kort de waarde van deze poging en de pijn die dat nog lang bij zijn vader veroorzaakte.