Buitenland

Het ene na het andere Afrikaanse land verlaat het Internationale Strafhof in Den Haag. Eerst Burundi, vervolgens Zuid-Afrika en nu ook Gambia: in nog geen twee weken keerden zij allemaal het hof de rug toe.

Een domino-effect lijkt ingetreden, want ook landen als Kenia, Uganda en Namibië zouden een mogelijke uittreding voorbereiden.  

Voornaamste kritiekpunt van deze landen is dat alleen Afrikanen in Den Haag voor de rechter verschijnen. Het Internationaal Strafhof bestaat sinds 2002 en sindsdien buigt het zich over oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de mensheid. In die veertien jaar tijd behandelde het Strafhof officieel tien dossiers, en op Georgië na speelden al deze strafzaken zich af in Afrika. 

Destijds werd de oprichting van het Internationaal Strafhof gezien als de grootse overwinning voor het internationale recht sinds de oprichting van de VN. Inmiddels hebben zich meer dan 100 landen aangesloten bij het hof, maar belangrijke landen zoals de Verenigde Staten, China, Rusland en India erkennen het Strafhof nog altijd niet en daders uit deze landen kunnen dan ook nooit door het Strafhof berecht worden. 

En dus waren er meteen twijfels over de legitimiteit van het Strafhof. Maar dat Zuid-Afrika, ooit toch een van de voorvechters van het hof er nu uitstapt, maakt dat de positie van het strafhof er steeds somberder uitziet. 

Is de kritiek uit Afrika terecht? Wat betekenen de huidige ontwikkelingen voor het aanzien en de positie van het Internationaal Strafhof?

We gaan langs op het kantoor van Herman von Hebel, chef van de griffie van het Internationaal Strafhof. Hij is de eerste Nederlander die een van de drie topfuncties bekleedt bij het Strafhof. Ook spreken we Thijs Bouwknegt, onderzoeker bij het Instituut voor Oorlogs- Genocide- en Holocauststudies NIOD.